
Aan:
De Lezer
Niet in een nederlandstalige versie teruggevonden. Alle kortverhalen,
behalve waar aangegeven zijn © 1949 tot
1954. Alle zijn auteursrechterlijk beschermd door United Newspaper Magazine Corporation en
werden blijkbaar gepubliceerd in This Week. De kleine verhalen verzameld in QBI tonen EQ's verhalende talenten.
Sommigen onder hen hebben slimme puzzels zelfs gemeten aan de strengste normen, zoals
"My Queer Dean!" en "Snowball in July". Zelfs in de mindere stukken
als "Cold Money", is de lectuur nog verrassend bevredigend. In dit laatste
verhaal, huurt de slechterik steeds weer kamer 913 in een hotel; zoals Francis M. Nevins reeds aantoonde,
verwijst dit naar een gelijkaardige situatie in Cornell Woolrich's "The Room With
Something Wrong" (1938), dewelke ook een mysterie bevat in kamer 913. De
opzichter van het hotel speelt in beide verhalen trouwens een opvallende rol. Dit is
duidelijk een eerbetoon aan Woolrich en één van zijn beste verhalen. Men vermoedt dat EQ
deze kleine hommages en 'inside jokes' aan vele van zijn werken heeft toegevoegd als
speelse verwijzingen naar de verhalen van andere mysterie-schrijvers; misschien zelfs even
veelvuldig als Alfred Hitchcock's cameo verschijningen in diens films. De verhalen in QBI hebben meer dan gebruikelijk te maken met de onderwereld. De verhalen gaan snel vooruit en zijn desondanks vrij beknopt. Dit wordt vaak bewerkstelligd door op een vrij komische manier gebruik te maken van clichés uit gangsterverhalen, films en zelfs nieuwsberichten. Dit 'oproepen van' wordt vaak guitig uitgevoerd bij middel van een slimme zinsbouw. De gebeurtenissen worden samengevat in plaats van gedramatiseerd, vaak een tweederangsbenadering maar één die hier prachtig werkt, gedeeltelijk door EQ's kunde met 'le mot juste'. Dit laat toe om imens complexe verhalen in korte tijd te vertellen. Zelfs de detectie wordt vaak ingenieus kort samengevat. Vele van de verhalen spitsen zich niet op moord toe, maar op misdaden als roof en persoonsverwisseling. Drie van de verhalen uit 1951, "Driver's Seat", "Double Your Money" en "The Gambler's Club", hebben allen te maken met ingenieuse zwendelaffaires. "Double Your Money" en "Money Talks" (1950) portretteren de arme, ethnisch werkende klasse in New York City, terwijl "The Robber of Wrightsville" (1953) klasseconflicten naar voren brengt in de "doorsneel" Amerikaanse stad Wrightsville. Waarschijnlijk één van de meest linkse EQ-verhalen. Het overgrote deel van Q.B.I. streeft naar relatief sociologisch realisme. Er is weinig openlijk surrealisme, alhoewel de verdwijningen in "Double Your Money" (1951) en "Snowball in July" (1952) hun momenten van bijna magische vreemdheid hebben. Dit realisme kan niet alleen gelegen hebben aan EQ's persoonlijke voorkeur. Tegen de jaren 50, wanneer deze verhalen werden gepubliceerd, was de flamboyantie uit het 'Gouden Tijdperk' eerder oubollig in de ogen van de meeste critici. Realisme werd beschouwd als een van de belangrijkste karaktertrekken van het misdaadverhaal en EQ kwam hieraan tegemoet. De serie werd waarschijnlijk gemodelleerd naar William MacHarg's1 The Affairs of O'Malley (verzameld in 1940), een gelijkaardige serie van korte verhalen geplaatst in een authentiek New York City, met 'gewone burgers' in de hoofdrol. Sommige van MacHarg's verhalen als "Broadway Murder" en "Murder Makes it Worse", bevatten zowel moord als bedrog, alhoewel EQ zwendelarij veel meer mathematisch benaderd dan MacHarg. 1 MacHarg, William (Briggs) (V.S. journalist en mysterieschrijver, 1872-1951) Zijn voornaamste bijdrage aan de misdaadliteratuur was The Achievements of Luther Trant (1910), geschreven in samenwerking met Edwin Balmer. Dertig jaar achter het eerder cerebrale Trant boek, MacHarg benaderde de hard-gekookte stroming met The Affairs of O'Malley, een collectie kortverhalen over een agent die niet zo dom is als hij zelf voorhoudt. |
|
Copyright © MCMXCIX-MMVIII Ellery Queen, een website rond deductie. Alle rechten voorbehouden. |